Hans Andreus


Voor een dag van morgen

Wanneer ik morgen doodga,
vertel dan aan de bomen
hoeveel ik van je hield.
Vertel het aan de wind,
die in de bomen klimt
of uit de takken valt,
hoeveel ik van je hield.
Vertel het aan een kind,
dat jong genoeg is om het te begrijpen.
Vertel het aan een dier,
misschien alleen door het aan te kijken.
Vertel het aan de huizen van steen,
vertel het aan de stad,
hoe lief ik je had.

Maar zeg het aan geen mens.
Ze zouden je niet geloven.
Ze zouden niet willen geloven
dat alleen maar een man alleen maar een vrouw
dat een mens een mens zo liefhad
als ik jou.




 

Het gebeurt dat mensen massaal een soort van onaantastbare geloofsbelijdenis afleggen over een of ander werk of idee of voorstelling. In dat geval is het moeilijk om tegen de gangbare mening in te gaan.

Het is lastig om over een gedicht als Voor een dag van morgen van Hans Andreus te zeggen dat het niet helemaal eerlijk is. Het speculeert op schijnbaar intens gevoel, maar het doet weinig anders dan de gewone zaken omkeren om ze bijzonder te doen lijken.

Vermoedelijk is dat altijd al duidelijk geweest. Je kunt je laten meeslepen met een mooie inzet: Wanneer ik morgen doodga... Zulke zin is een beproefde aandacht-trekker. Je staat voor een grote ernst. Wie, die voor zijn dood staat, zal je onnozelheden vertellen? Dat verwacht je niet, van niemand. Integendeel. Iedereen luistert vol spanning, hier komt het ware woord, hier komt het getuigenis, hier komt de Phaedo, weet je nog, die dialoog van Plato waarin Socrates vlak voor zijn dood staat en zijn vrienden zijn ultieme wijsheid meedeelt. Wanneer ik morgen doodga... Dan sta je nu voor de grootste existentiële nood, voor de hoogste behoefte aan besef en waarheid, aan authenticiteit. Het grijpt je naar de keel.

Nogal onverwacht krijg je te horen dat je aan de bomen moet vertellen hoeveel 'hij' - de dichter - van je hield. Dan zie je dat het gedicht voor zijn geliefde vrouw is geschreven, niet voor ons. In gedichten is het een bekend procédé om de lezer zijdelings te betrekken bij het gegeven, het gedicht maakt de lezer een beetje een voyeur. Daar denken we niet aan, we lezen, en kijk maar hoe mooi het er staat: Vertel het aan de wind / die in de bomen klimt / en van de takken valt. Andreus heeft van die zinnen die perfect zijn in hun beeldende eenvoud. Bovendien kennen we dat, we zijn allemaal al eens in een boom geklommen en eruit gevallen. De wind doet het ons na.

Vertel het aan een kind. Sympathiek is dat, kinderen zijn altijd sympathiek. En vooral die tegenstelling klinkt zo mooi mee: een kind, dat jong genoeg is om het te begrijpen. De komma na dat kind wijst erop dat jong zijn en begrijpen eigenschappen zijn van alle kinderen, het gaat om een betrekkelijke verklarende bijzin. Zonder de komma moet je een kind zoeken dat van jeugd en begrip getuigt, want dat doen ze dan niet allemaal, zonder komma heeft de betrekkelijke bijzin beperkende betekenis. Maar als je eerlijk bent, voel je het schoentje hier een beetje wringen. Niet heel erg, maar er ligt iets gezochts in de zin, iets onwaars. De verhoudingen zijn scheef getrokken, zo gaat het er in de wereld niet aan toe. Op de achtergrond van je gedachten weet je: alleen als je volwassen bent en je hebt je erop toegelegd om wat ruim te denken, in elk geval te denken, dan kan begrip ontstaan, groeiend begrip want het is niet van de eerste keer af, het is zelfs nooit af. Zo gaat het er in de wereld aan toe. Dan moet je nog veel geluk hebben en het goed met jezelf en de anderen menen.

Er spreekt desillusie uit die zin van Andreus. Juist die ontgoocheling brengt hem ertoe de zaken op hun kop te zetten. En dat wordt alleen erger.
Niet dat dier waaraan je het moet vertellen is van belang. Je ziet het, het dier heeft niet eens een naam, het is geen kat, geen hond, geen aap, geen olifant. Het kan een kakkerlak zijn of een zeeduivel. Niet die stenen huizen zijn belangrijk, niet die stad. Wat van belang is, van heel veel belang, is dat verraderlijke zinnetje: Maar zeg het aan geen mens. / Ze zouden je niet geloven.

Dat valt tegen. Maar zeg het aan geen mens. Stel je voor dat Andreus het aan geen mens verteld had, dan stond dit tekstje hier niet, dan had Andreus zelfs op papier gezwegen. Nu zegt hij in feite dat wij allemaal een stuk onbenul zijn die er niets van willen begrijpen. Want dat staat er. Wie jij ook bent, zijn vrouw mag het je niet zeggen, jij zou het niet begrijpen. Jij, jullie allemaal, de mensen. Jullie allemaal die dit gedicht goed vinden. Goed? Het is zo te horen een wonderbaarlijk mooi gedicht. De lezer(es) kruipt in de huid van de dichter, in de huid van de enige die het begrijpt, de lezer(es) is er dan van overtuigd zelf die enige te zijn die het begrijpt.

De vraag is waarom precies een dergelijk gedicht zulke bijval heeft. Het is op de onmogelijkste ogenblikken geciteerd en voorgedragen, het heeft zelfs vaak op doodsprentjes gestaan. Het is moeilijk aan te nemen dat mensen zulke lage dunk van hun medemensen hebben dat ze die niet in staat achten om het leed van anderen te begrijpen. En niet zozeer hun leed, vooral hun liefde niet. Ze zouden je niet geloven. / Ze zouden niet willen geloven... met een sterke nadruk op willen. Waarom toch? Blijkbaar flateert het mensen te denken dat ze uniek zijn in hun liefde die zo volstrekt is dat niemand hen verstaat. Het is precies andersom, wie een beetje mens is verstaat het zonder enige moeite. Sommigen zien in deze wanhopige uitspraken de uiting van volstrekte verwarring waarin een mens verkeert bij het verlies van de geliefde. Zelfs dan blijft de negatieve toon het gedicht overheersen, de bittere smaak van - moedwillige? - miskenning van de medemens.


Dr. Fa Claes



Terug naar Index